Kerkdiensten

zondag 21 september 2014

Grote Kerk

  • 09.30 ds. J.P.J. Voets
  • 18.30 ds. H. Russcher

 

 Opstandingskerk

  • 09.30 ds. M.K. de Wilde
  • 16.30 ds. H. Russcher

 

zondag 28 september 2014

Grote Kerk

  • 09.30 ds. H. Russcher
  • 18.30 ds. M.K. de Wilde

 

 Opstandingskerk

  • 09.30 ds. J.P.J. Voets
  • 16.30 ds. M.K. de Wilde

 

Kerkelijk Bureau geopend

woensdag 24 september 2014
13.30 uur - 17.00 uur

donderdag 25 september 2014
09.00 uur - 12.30 uur

maandag 29 september 2014
18.30 uur - 20.00 uur

woensdag 1 oktober 2014
13.30 uur - 17.00 uur

Kerkelijk bureau

Gasthuisstraat 10

3861 BS  Nijkerk

tel. 033-2451955

 

Favorieten

De Bijbel op internet

Andere links

Waarom? Daarom!

Politieke nekslag voor mantel en bef

 Publicatiedatum: 18 oktober 2001

Politieke nekslag voor mantel en bef

Bij opkomst van de domineestoga speelden vooral niet-theologische factoren

Is een toga een liturgisch gewaad? Geeft het slechts uitdrukking aan het wetenschappelijk karakter van de predikantenopleiding? Of zit er nog wat anders achter? Voor de toga als domineesgewaad geldt in ieder geval: alzo was het niet van den beginne. Sterker nog, in de Vroege Kerk was er zelfs geen onderscheid tussen het kleed van de geestelijken en het kleed van het kerkvolk.

Door S. C. Bax

Uiteindelijk besliste in ons land niet de geestelijke zelf, maar de overheid, dat predikanten op straat hun mantel en bef als teken van hun ambt niet meer mochten dragen. Want met het zelfstandig worden van de rooms-katholieke kerkprovincie was tegelijk het geboorte-uur van de toga als domineesgewaad aangebroken.

Niet zozeer theologische maar vooral (kerk)politieke, sociale, maatschappelijke en sociaal-psychologische factoren speelden een grote rol rond het ambtskleed. Uiteindelijk was het de politieke angst, "om Ierse toestanden, vechtpartijen tussen rooms-katholieken en protestanten" te voorkomen, dat de rond 1800 gangbare ambtskleding verboden werd.

Kleedgedrag is een uitermate gecompliceerd verschijnsel. Dr. M. J. Aalders, gereformeerd predikant te Amstelveen, verrichtte historisch graafwerk om de entree van de toga helder te krijgen. Zijn zojuist verschenen boek "De komst van de toga" (uitg. Eburon, Delft; 39,45) is een "historisch onderzoek naar het verdwijnen van bef en mantel en de komst van de toga op de Nederlandse kansels, 1796-1898)".

Twee belangrijke jaartallen zijn van belang rond de komst van de toga. Dr. Aalders: "1796 en 1853 zijn de jaren waarin de mantel en de bef de politieke nekslag kregen. In die jaren kwam de toga op."

Ambtsvisie

Lang niet alle motieven worden ook hardop uitgesproken als het gaat over ambtskleding. Wie zal ook bevroeden waarom een toga in bevindelijke kringen soms wel geaccepteerd werd, maar de bijbehorende baret niet? Die baret wordt vaak terzijde geschoven omdat het dragen ervan als vorm van hoogmoed wordt ervaren. Terwijl het hoofddeksel toch gewoon bij de toga hoort! Trouwens, waarom zou die grote knop aan de preekstoel zitten? Past er niet precies een baret op?

Dr. Aalders publiceerde al eerder over liturgische kleding. Die publicaties zijn te vinden op zijn eigen website (www.maartenaalders.cjb.net). In 1992 reageerde hij op de brochure "Kleur en kleed" van drs. P. Hoogstrate. Hij verzette zich in dat artikel tegen de invoering van de albe (wit priesterkleed) en de stola (brede, lange sjaal voor over de schouder) in de calvinistische eredienst, lees: in de brede SoW-kring. Hij betoogt dat de stola regelrecht ontleend is aan de rooms-katholieke traditie en dat het dragen ervan alles te maken heeft met een rooms-katholieke ambtsopvatting. Dr. Aalders signaleert een volslagen willekeur bij het kiezen van toga's in de kleuren van het kerkelijk jaar. "Waarom kiezen we al die andere liturgische gebruiken dan ook niet? Ik heb mijn vragen bij de protestantse voorgangers die de toga als liturgisch gewaad gebruiken."

De gereformeerde predikant uit Amstelveen veronderstelt dat wanneer men nu in afgescheiden kring de gekleurde toga draagt daarachter wél de gedachte zit dat men af wil van de belijndheid van de traditionele leerdienst. "Men wil dan meer het vierende element benadrukken."

Reformatie

Maar, "De komst van de toga" gaat over andere zaken. Voor dr. Aalders staat het vast dat in Nederland tot in de achttiende eeuw geen sprake was van speciale predikantskleding. Mantel en bef waren sinds het midden van de achttiende eeuw de kledingstukken waarmee vooral de stadspredikant zich tooide. Het was namelijk de dracht van de deftige burger, die door dominee was overgenomen. Een ambtsgewaad in de theologische zin van het woord was het niet. Het gebruik ervan had meer te maken met het verschijnsel standskleding dan met een bepaalde (theologische) ambtsopvatting.

Een opmerkelijk detail: in die tijd droegen de aanzeggers, mensen die in de buurt gingen vertellen dat iemand overleden was, hetzelfde gewaad als de predikant.

Binnen en buiten het kerkgebouw droeg de predikant in die tijd wat voor zijn stand gewoon was. Ten tijde van de Bataafse Republiek werd het dragen van die ambtskleding buiten het kerkgebouw verboden. De overheid wilde grote spanningen tussen de verschillende godsdienstige groeperingen voorkomen. Zij probeerde het aantal processies in rooms-katholieke kring in te dammen door geestelijken te verbieden zich in kerkelijke kleding buiten het kerkgebouw te vertonen. Dr. Aalders: "Men wilde voorkomen dat -wat we nu zouden noemen- "Ierse toestanden" zouden ontstaan."

Bezinning

Overheidsmaatregelen gaven rond 1798 een forse aanzet tot de eerste liturgische bezinning op het gebruik van de toga in vooruitstrevende kerkelijke kringen. "Men maakte zich zorgen over de afnemende belangstelling voor kerk en godsdienst, en bezon zich op mogelijkheden de kerkdiensten aantrekkelijker te maken. Het invoeren van de toga lag voor de hand: de Waalse predikanten hier te lande droegen die al meer dan een eeuw. Het accent hierbij lag vooral op de toga als redenaarsmantel. Ambtstheologische of hoogliturgische overwegingen speelden ook hier geen rol."

Vanaf 1801 werd het verschil tussen de predikant en de andere burgers sterker dan voorheen zichtbaar. Het gebruik van de kuitbroek was inmiddels vervangen door het gebruik van de pantalon. De steek was vervangen door de ronde hoed. Met andere woorden: niet alleen in de kleuren bestond er nu een verschil tussen de predikant en zijn standsgenoten, maar ook in de vormgeving van de kleding. Dit verschil zou groter worden naarmate de tijd voortschreed.

Verschil

Het verschil tussen de predikantskleding en burgerkleding nam toe. Ook het streven van de overheid, die in 1817 met zachte hand poogde haar dienaren in de kerk over te halen tot het gebruik van de toga, liep op niets uit.

Een belangrijke factor bij de ontwikkelingen rond het ambtsgewaad was de komst van de afgescheiden predikant. Velen van hen verlangden terug naar de kerk van de republiek. Ze hielden dan ook vast aan de daarbij behorende kleding. Anderen in afgescheiden kringen (zoals J. H. Scholte) kozen welbewust voor een vrije kerk. Zij hadden aan de oude kleding geen behoefte. In deze kring speelde bovendien de vraag naar de ambtstheologie een belangrijke rol. In een kring waarin men zich bij voorkeur op de reformatoren wenste te oriënteren, kon bezinning op onderscheiden kleding voor de predikanten immers niet uitblijven. Het gebruik van mantel en bef door afgescheiden predikanten leidde ertoe dat het ambtsgewaad onder hervormde predikanten terrein begon te verliezen."

Standsbesef

De mantel en de bef waren niet alleen de kleding van de aansprekers, maar ook van een groep predikanten die qua sociale herkomst van een ander niveau was dan de hervormde predikanten. Het afleggen van mantel en bef door vele hervormde predikanten had dus te maken met hun standsbesef. De steek bleef nog het langste in gebruik als onderscheidend kenmerk van de predikanten.

De plaats van de predikant in de samenleving werd vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw steeds minder vanzelfsprekend. Na 1840 werd zichtbaar dat kerk en staat meer en meer gescheiden wegen gingen. Niet langer gesteund door een vanzelfsprekende koninklijke autoriteit werd gezocht naar andere tekenen dan het langzamerhand wel erg ouderwets aandoende predikantskostuum van de republiek.

De roep om de toga klonk rond 1840 steeds luider. Dat had mede te maken met de wens van predikanten hun status tot uitdrukking te brengen in een passend gewaad. Bij de lutheranen speelde daarnaast ook hun grote liturgische interesse mee. Hun Duitse collega's gingen in 1843 als eersten over tot de aanbeveling van de toga, in 1844 gevolgd door de remonstranten.

Scholing

Een andere factor in dit verband was de toenemende professionalisering van het predikantenkorps. Met deze professionalisering gaven de predikanten een antwoord op de veranderingen in de samenleving. Het resulteerde in een sterke nadruk op hun academische scholing. Predikantzijn werd een vak. Dat werd onder meer zichtbaar in de verschijning van een nieuw soort handboek en in een toename van het aantal gepromoveerde predikanten.

De toga benadrukte deze academische vorming door de predikant met een gewaad dat al eeuwenlang het academisch gewaad bij uitstek was. Als gevolg van de veranderende maatschappelijke verhoudingen veranderde ook de relatie tussen predikant en gemeente. Voor het eerst ontwikkelde zich, wellicht als reactie, iets van een hoogkerkelijk ambtsbesef, met name onder de Groninger theologen. Zij waren dan ook grote voorstanders van een aanbeveling van de toga. Vanuit deze invalshoek bezien, is de toga wél een ambtsgewaad.

Politieke crisis

Ondanks het feit dat in eigen kringen de roep om de toga steeds luider klonk, kon de hervormde synode in 1851 nog niet tot een aanbeveling komen. Die kwam pas in 1854, na een politieke crisis. Wat was het geval? Pas in die tijd werd de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland ontdaan van het karakter van missiekerk. De Nederlandse kerkprovincie kwam in die zin los van Rome en kreeg eigen bisschoppen. De regering viel. Een nieuw kabinet riep als het ware de oude verordeningen weer tot leven waarbij de rooms-katholieken beperkt werden in hun publieke uitingen.

In de geschiedenisboeken staat de kwestie beschreven als de April-beweging. De Wet op de Kerkgenootschappen maakte het mogelijk op te treden tegen al te uitbundige uitingen van het 'rijke' roomse leven. In die wet werd, evenals in 1796, een verbod opgenomen op het dragen van ambtsgewaden buiten het kerkgebouw.

Vanaf die dag verdwenen mantel en bef, voorzover nog in gebruik, uit het straatbeeld. Ook voor de hervormde synode stond de deur naar een aanbeveling van de toga wagenwijd open. In zijn boek neemt dr. Aalders de hervormde aanbevelingsbrief om de toga te dragen over. Er wordt gesproken over de toga "met haar toebehoren, te weten met Bef en Barret."

Ambtsvisie

Theologische argumenten speelden volgens dr. Aalders in dit alles een ondergeschikte rol. Alleen de tegenstanders van de toga hebben zich daarop expliciet beroepen: onderscheiden kleding voor de voorganger zou in strijd zijn met de protestantse ambtsopvatting. Voorstanders van de toga hadden daarmee wellicht geen moeite, maar voerden nooit nadrukkelijk de ambtstheologie aan als argument. Ook in de kring der afgescheidenen verloren mantel en bef gaandeweg hun populariteit. Bij hen kwam het echter niet tot een aanbeveling van de toga, omdat de ambtsopvatting dat in de weg stond. "Toen Kuyper zich bovendien tegen het gebruik van de toga keerde, waren de kaarten geschud", zegt dr. Aalders.

Hervormde predikanten droegen, naar advies van de synode, in het algemeen een toga. Gereformeerde voorgangers niet. Dit is tot na de Tweede Wereldoorlog zo gebleven. Toen ontstond als het ware een inhaalslag in de kring van de Afscheiding en de Doleantie.

De hamvraag? Wat droegen predikanten op straat toen zij mantel en bef hadden afgelegd? Dr. Aalders: "Doorgaans liepen zij achter de mode aan maar probeerden wel stemmig gekleed te gaan."

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.

Data protection law applies to Digibron and the content of this database.

 

Activiteiten binnenkort

zaterdag 20 september 2014, 00:00
Opening Winterwerk

zaterdag 20 september 2014, 08:00
Sing-in

zondag 21 september 2014, 11:00
Gemeentebrede preekbespreking

maandag 22 september 2014, 14:30
Seniorenmiddag

maandag 22 september 2014, 19:45
Bijbelgespreksvereniging

dinsdag 23 september 2014, 19:45
Vrouwenvereniging Lydia

dinsdag 23 september 2014, 19:45
Vergadering Algemene Kerkenraad

maandag 29 september 2014, 08:00
Vrouwenvereniging Noadja

woensdag 1 oktober 2014, 19:30
Gebedskring

woensdag 1 oktober 2014, 19:45
Bijbellezing

De Bijbel

Een christen kan niet zonder de Bijbel. Desondanks schiet stille tijd met de Bijbel er vaak bij in of blijf je hangen in de bekendere gedeeltes. Misschien is dan een Bijbelleesrooster een idee. Zo leest u in twee jaar de hele Bijbel door.